Er wordt vaak gesproken over de vraag of digitale technologie wel werkt in het onderwijs. Het eerlijke antwoord is: soms wel en soms niet. Een interessantere vraag is wat mij betreft: hebben we digitale technologie ooit echt serieus genomen als onderdeel van onderwijs? Als je kijkt naar de lerarenopleiding, het huidige curriculum en de dagelijkse praktijk op veel scholen, is het antwoord pijnlijk duidelijk. Digitale technologie was lange tijd geen volwaardig onderdeel van het onderwijsdenken. Het werd zelden benaderd als iets waar je vakinhoudelijke kennis over nodig hebt, laat staan een didactische visie. Het gesprek over technologie blijft vaak hangen op het niveau van middelen: welk device, welke tool. Terwijl de fundamentele vragen nauwelijks worden gesteld. Wat doet digitale technologie met leren? Wanneer versterkt het, wanneer verstoort het? En wat vraagt dat van de leraar? Juist dat gebrek aan kennis en een onderliggende visie maakt dat discussies over digitale technologie al snel verharden. We schieten snel in voor of tegen, in plaats van dat we onderzoeken wat werkt, wanneer en waarom.

Digitale technologie is slecht voor het leren

Een van de hardnekkigste aannames is dat digitale technologie per definitie een negatieve invloed heeft op leerresultaten. Die gedachte is begrijpelijk (zeker als je kijkt naar vormen van gebruik die weinig met leren te maken hebben) maar wordt niet eenduidig ondersteund door onderzoek. Veel studies laten een genuanceerder beeld zien. Er is geen bewijs dat digitale technologie per definitie slecht is en er is ook geen bewijs dat het automatisch werkt. Er is wel bewijs dat kwaliteit van de inzet, didactiek dus belangrijker is dan de tool en dat context allesbepalend is. Het is daarin niet anders dan andere middelen. Wel zie je in studies terug dat digitale technologie effectief kan zijn als het gaat over het aanleren van specifieke vaardigheden. Bijvoorbeeld op het gebied van spelling laten digitale oefenprogramma’s regelmatig positieve effecten zien, mits ze doelgericht worden gebruikt en goed aansluiten bij het onderwijs. Juist bij automatiseren en herhalen kan technologie een duidelijke meerwaarde hebben. Dat maakt het beeld meteen complexer en eerlijker. Digitale technologie is net als pen en papier geen wondermiddel, maar ook geen probleem op zichzelf.

Schermtijd is niet uniform

Een groot deel van de verwarring in het debat komt voort uit één containerbegrip: schermtijd. Dat begrip suggereert dat alle tijd achter een scherm vergelijkbaar is, terwijl dat simpelweg niet klopt. Het verschil tussen eindeloos scrollen op sociale media en geconcentreerd werken aan een leeractiviteit met digitale ondersteuning is enorm: cognitief en didactisch. Door dat onderscheid niet te maken, ontstaat een versimpeld en vaak negatief beeld van technologiegebruik. Het gesprek zou dus niet moeten gaan over hoeveel schermtijd, maar over de kwaliteit en het doel van die tijd.

Wat we kunnen leren van andere landen

Nou heb ik zelf moeite met dit soort internationale vergelijkingen omdat de verschillen in context vaak onvoldoende worden meegenomen. In internationale vergelijkingen wordt vaak gewezen naar landen als Estland en Singapore omdat de landen zeer hoog scoren op PISA. Wat deze landen gemeen hebben is dat ze ver gevorderd zijn in de digitalisering van hun onderwijs. Het is verleidelijk om daar een direct causaal verband van te maken, maar zo simpel is het niet. Onderwijssystemen zijn complex en prestaties worden door veel factoren beïnvloed. Het valt mij overigens op dat je in Nederland verrassend weinig hoort over Estland en dat er vaker wordt gekeken naar landen als Engeland.

Wat de landen Estland en Singapore ook gemeen hebben, is iets anders: een consistente en doordachte visie op de rol van digitale technologie in het onderwijs. In Estland wordt daar al sinds de jaren ’90 systematisch aan gewerkt. Dat betekent niet dat ik denk dat digitale technologie de hoofdoorzaak is van hun prestaties, maar wel dat het onderdeel is van een bredere, samenhangende onderwijsvisie. Je kunt het er dus ook niet los van zien.

Een doordachte visie op de inzet van digitale technologie ontbreekt regelmatig

Die visie op de inzet van digitale technologie vind ik in Nederland vaak ontbreken. Om het gesprek over digitale technologie te starten heb ik enige tijd geleden het kwadrantenmodel ontwikkeld. Digitale technologie in het onderwijs lange tijd vooral instrumenteel benaderd. Het ging over apparaten, software en toepassingen en niet over onderliggende visies, doelen, waarden of effecten. Vaak wordt de opkomst en ondergang van de iPad-scholen als voorbeeld genoemd om aan te tonen dat digitale technologie niet werkt. Dit is echter het perfecte voorbeeld van een onderwijsconcept waarbij onvoldoede nagedacht is over de onderwijskundige visie op de inzet van digitale technologie. Zonder die visie is elke innovatie kwetsbaar. Digitale technologie kan daarin een middel zijn dat alleen werkt als het ingebed is in goed onderwijs.

Digitale geletterdheid als belangrijke basis

Dat brengt ons bij digitale geletterdheid. Opvallend genoeg wordt dit nog lang niet overal gezien als een basisvaardigheid, terwijl digitale technologie diep verweven is met hoe we informatie verwerken, communiceren en leren. Digitale geletterdheid gaat bovendien over meer dan vaardigheden. Het gaat ook over begrip: hoe systemen werken, hoe informatie tot stand komt en hoe technologie ons denken en gedrag beïnvloedt. Juist dat bredere perspectief ontbreekt vaak in het onderwijs. Met als risico dat digitale geletterdheid wordt gereduceerd tot ‘leren omgaan met tools’. En daarmee missen we de kern.

We komen van ver

Dat digitale technologie nu serieuzer wordt genomen, heeft alles te maken met recente ontwikkelingen. De komst van AI en de nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid zorgen voor een kantelpunt. Maar dat betekent niet dat het probleem is opgelost. We komen van een situatie waarin er nauwelijks structurele aandacht was voor technologie in de lerarenopleiding, in schoolvisies of in professionele ontwikkeling. Het is dus niet vreemd dat veel leraren zich hierin nog zoekende voelen. Het brengt ook vaak onzekerheid met zich mee. Om met het leergebied digitale geletterdheid aan de slag te gaan hoef je zelf niet super digitaal vaardig te zijn, maar een nieuwsgierig, open en onderzoekende houding zijn wel noodzakelijk. Ik zie het als een risico dat er tegenwoordig zo’n negatief sentiment heerst rondom digitale technologie. Ook ben ik bang dat er grote verschillen gaan ontstaan tussen scholen waar wel structureel aandacht is voor de kerndoelen digitale geletterdheid en scholen waar amper aandacht hiervoor is. Dit geldt ook als het gaat over de verantwoorde inzet van digitale technologie.

We moeten in mijn optiek af van de vraag of digitale technologie per definitie goed of slecht is. Veel belangrijker is wat het vraagt van ons als onderwijsprofessionals. Dat betekent dat we zowel moeten nadenken over leren met digitale technologie als over leren over digitale technologie. Over didactiek en over inhoud. Over kansen en over verstoringen. Want pas als dit samenkomt, kun je spreken van echte digitale geletterde onderwijsprofessionals. Het wordt tijd dat we digitale technologie als volwaardig onderdeel van het onderwijs gaan zien.