Auteur: admin (Pagina 1 van 3)

Interview Telegraaf

Gisteren stond in De Telegraaf dit artikel over AI in het basisonderwijs, naar aanleiding van de onlangs verschenen bundel Als wij denken – Verantwoorde inzet van generatieve AI in het (taal)onderwijs, onder redactie van onder anderen Els Stronks.
Als het gaat over AI in het onderwijs, gaat het vaak over het voortgezet of hoger onderwijs. Heel goed dat er in dit artikel specifiek aandacht is voor het basisonderwijs. Want kinderen komen al op jonge leeftijd in aanraking met AI, bijvoorbeeld via spraakgestuurde opdrachten die ze aan een tablet geven. Mijn eigen zoon kreeg dit door toen hij een jaar of vier was.
Het is een mooi en genuanceerd artikel geworden. Goed dat Barend Last ook een bijdrage heeft geleverd en ik ben blij dat hij, net als ik, ook in het basisonderwijs werkt. Juist daar is aandacht voor digitale geletterdheid hard nodig.
Mooi dat dit onderwerp bij een breed publiek onder de aandacht komt. Dank aan Martijn Schoolenberg voor het fijne gesprek en de goede uitwerking.

Als wij denken – Verantwoorde inzet van generatieve AI in het (taal)onderwijs

Leuk om een bijdrage te mogen leveren aan deze interessante bundel over chatbots in het (taal)onderwijs. In mijn artikel schrijf ik over hoe je de digitale wereld en AI juist kunt benutten voor je taalonderwijs.

Wat ik sterk vind aan deze bundel, is dat er veel verschillende stemmen en perspectieven aan bod komen. Het is daarmee niet het bekende verhaal dat digitale technologie vooral slecht is voor het onderwijs, maar ook geen verhaal waarin technologie kritiekloos wordt bejubeld. Onderzoekers, leraren, lerarenopleiders, leerlingen en studenten kijken ieder vanuit hun eigen perspectief naar de kansen, risico’s en dilemma’s.

Extra leuk dat mijn artikel is gekozen als preview van de bundel en vrij te downloaden is. Ik deel het daarom graag hier!

Link naar het boek: https://lnkd.in/eFHFqskQ

Deze mooie bundel is uitgebracht onder redactie van: Els Stronks, Mehdid Dastani en Nanja Kleemans

Over leesvaardigheid, AI en onszelf

Wereldwijd daalt de leesvaardigheid en Nederlandse jongeren zijn hierin geen uitzondering. Ook ik maak me daar zorgen over. Wie niet? Maar ik erger me ook aan wat er daarna gebeurt. Er verschijnen nieuwe PISA-resultaten en binnen de kortste keren weten we met z’n allen waar het aan ligt. De smartphone. Sociale media. Schermtijd. Leraren. De didactiek. Het onderwijssysteem. De ouders. De taalmodellen. De mentaliteit van jongeren. We moeten natuurlijk allemaal laten weten wat we ervan vinden. Vaak vanaf diezelfde smartphone en via diezelfde sociale media. En na elk onderzoek herhaalt hetzelfde riedeltje zich weer. En het mooiste is: ik doe er zelf net zo hard aan mee. Bovendien is er nog iets wat mij naast die dalende leesvaardigheid zorgen baart: we zijn erg goed geworden in het aanwijzen van oorzaken buiten onszelf. Hoeveel volwassenen lezen zelf nog iedere avond een boek? Hoe vaak pakken we onze telefoon? Hoeveel uur brengen we door op LinkedIn, Instagram, YouTube of Netflix?

Hetzelfde zie ik gebeuren met generatieve AI. Zodra bekend wordt dat een politicus AI heeft gebruikt bij het schrijven van een tekst gaat het alleen maar over hoe de tekst is gemaakt. Er wordt ijverig met hulp van AI gezocht naar typische AI-zinnen. Teksten worden door AI-detectors gehaald. Vervolgens kunnen we elkaar de maat nemen, zie je wel AI! Als kinderen zulk gedrag vertonen, dan zeg ik meestal: bemoei je met jezelf. We zullen samen moeten gaan onderzoeken wat sociaal geaccepteerd is en wat niet. Het is goed dat het gesprek wordt gevoerd over auteurschap en betrouwbaarheid. Maar kunnen we vooral de inhoud van teksten blijven beoordelen? Is het een goede tekst? Klopt het wat er staat? Zijn de argumenten sterk? En niet onbelangrijk, neemt degene wiens naam eronder staat verantwoordelijkheid voor het eindresultaat? Dat zijn toch veel interessantere vragen dan: is hier AI gebruikt? Bijna iedereen gebruikt het inmiddels. Leraren gebruiken AI. Schrijvers gebruiken het. Bedrijven gebruiken het. Politici gebruiken het. Ik gebruik het zelf ook. Soms om mee te brainstormen, soms om iets scherper te formuleren. En wil je het niet gebruiken? Ook helemaal prima, maar doe daar dan niet moreel verheven over en laat anderen in hun waarde.

En dan zijn we aangekomen bij jongeren. Uit PISA 2025 blijkt dat behoorlijk wat vijftienjarigen AI-chatbots gebruiken bij hun schoolwerk. Dat lijkt me eigenlijk niet zo verrassend. Veel interessanter is wat mij betreft wat ze ermee doen. Ook de andere PISA-resultaten rond digitale technologie laten zien dat het allemaal niet zo eenvoudig is als ‘schermen zijn slecht’ of ‘digitale technologie verbetert het onderwijs’. Het lijkt er vooral toe te doen hoe, waarvoor en hoeveel digitale technologie wordt gebruikt. Leerlingen die digitale middelen op school beperkt of matig inzetten (zelfrapportage van 2 tot 3 uur per schooldag) voor leren, presteren gemiddeld beter op natuurwetenschappen dan leerlingen die dat niet of juist zeer intensief doen. Ook de digitale vaardigheden van leraren lijken een rol te spelen. En bij AI-chatbots zien we iets vergelijkbaars: het gebruik ervan leidt niet vanzelf tot betere prestaties. Dat is misschien geen aantrekkelijke boodschap voor een krantenkop. Daarvoor is het te genuanceerd. Maar voor het onderwijs is het wel belangrijk. We hebben leraren nodig die kunnen beoordelen wanneer digitale technologie iets toevoegt en wanneer niet. En jongeren moeten leren wat AI kan, waar het mis kan gaan en wanneer ze beter zelf kunnen lezen, schrijven, rekenen of nadenken. Maar voordat we jongeren vertellen wat ze moeten doen of wat ze allemaal verkeerd doen, mogen we misschien ook iets langer naar onszelf kijken.

Neem die vijftienjarige die moeite heeft met spellen en schrijven en ChatGPT gebruikt om zijn ideeën beter op papier te krijgen. Wat vinden we daarvan? Is dat valsspelen? Moeten we hem verbieden dat hulpmiddel te gebruiken? Moeten we hem gaan waarschuwen dat hij daar ‘dommer’ van wordt? Moeten we de tekst waar hij zelf achter staat en trots op is door een AI-scanner halen? Gaan we dat ook doen met elke e-mail die je van een collega ontvangt? Of van een familielid die een persoonlijk bericht deelt in de groepsapp? Ik vind het ingewikkeld. Misschien zit daar wel een patroon in. Bij AI bepalen we graag wanneer jongeren het wel en niet mogen gebruiken en wat ‘goed’ gebruik is. Bij lezen doen we eigenlijk iets vergelijkbaars. Ook daar bepalen volwassenen voor een belangrijk deel wat jongeren zouden moeten doen: hoeveel ze moeten lezen, wat ze moeten lezen en zelfs wat een ‘goed’ boek is. Neem de verplichte boekenlijst. Ik vond die zelf vroeger enorm demotiverend. Boeken lezen die iemand anders voor mij had uitgekozen, omdat die blijkbaar tot de literatuur behoorden die je gelezen moest hebben. Natuurlijk snap ik de gedachte erachter, maar ik ben wel bang dat zo’n aanpak averechts kan werken. Onderwijs mag leerlingen kennis laten maken met teksten en schrijvers die ze zelf misschien nooit zouden kiezen. Maar als we tegelijkertijd constateren dat jongeren steeds minder graag lezen, mogen we ons ook afvragen of alles wat we uit goede bedoelingen organiseren daadwerkelijk bijdraagt aan leesmotivatie. Dit soort verplichte lijsten bestaan nog steeds, zelfs op lerarenopleidingen. Wanneer houden we nou eens op met bepalen wat jongeren moeten lezen.

En wellicht moeten we ook wat serieuzer kijken naar jongens. In PISA 2025 is de leesvaardigheid van jongens sterker gedaald dan die van meisjes. Dat is geen reden om meteen de volgende eenvoudige oorzaak aan te wijzen. Het is wel een reden om te onderzoeken waar dit aan ligt. Wat maakt dat jongens minder lezen? Lezen ze wel echt minder? Wat voor teksten krijgen ze aangeboden? Hoeveel ruimte is er voor hun eigen interesses? En hoe zorgen we ervoor dat lezen niet vooral iets wordt wat moet, maar ook iets kan zijn wat je wilt? Hoe bevorderen we het leesplezier. We praten ontzettend veel over jongeren. Over hun schermtijd, hun motivatie, hun taalgebruik, hun gedrag, hun gebruik van AI en de boeken die ze wel of niet lezen. Jongeren moeten ook leren verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leren en gedrag. Maar motivatie ontstaat niet doordat we steeds harder vertellen wat ze verkeerd doen.

De dalende leesvaardigheid is een serieus probleem. Net als de vraag hoe we verstandig omgaan met AI en andere digitale technologie. Maar misschien komen we verder als we iets minder snel op zoek gaan naar schuldigen en iets vaker naar onze eigen rol kijken. Niet alleen in het onderwijs, maar in de hele samenleving.

Taal en digitaal zijn geen concurrenten

Over de taalvaardigheid van Nederlandse leerlingen zijn veel terechte zorgen. Er wordt minder gelezen, leerlingen hebben meer moeite met het begrijpen van langere teksten en het leesplezier daalt. In de zoektocht naar oorzaken wordt vaak gewezen naar digitale middelen. Kinderen zitten te veel achter een scherm.

Los van het feit dat schermtijd niet iets uniforms is, zit er natuurlijk een kern van waarheid in. Wie geen langere teksten leest, wordt daar ook niet beter in. En uren scrollen door korte filmpjes kun je moeilijk vergelijken met geconcentreerd een boek lezen.

Toch vind ik de conclusie die daar regelmatig uit volgt veel te gemakkelijk: we moeten digitale middelen weren uit het klaslokaal.

In dit stuk wil ik niet dieper ingaan op het feit dat digitale middelen bij goed gebruik wel degelijk positieve effecten kunnen hebben op de leerprestaties. Ik wil graag inzoomen op iets anders wat vaak wordt vergeten: een groot deel van onze taal bevindt zich in de digitale wereld.

Ga maar eens na hoeveel je op een gemiddelde dag leest en schrijft zonder een boek of krant aan te raken. Je leest een nieuwsitem op je telefoon, verstuurt een tekstbericht, spreekt een bericht in, zoekt iets op met een zoekmachine, bekijkt een website, leest reacties onder een bericht, schrijft een e-mail of stelt een vraag aan een chatbot.

Online ontwikkelt zich bovendien een eigen cultuur, met memes, eigen regels, humor en specifiek woordgebruik. Jongeren nemen hier niet alleen aan deel, maar geven deze cultuur ook zelf vorm. Daarmee is de online wereld een belangrijke plek geworden waar zij hun identiteit ontdekken, uitproberen en ontwikkelen.

In de digitale omgeving wordt behoorlijk wat van onze taalvaardigheid gevraagd. Je moet informatie kunnen vinden, teksten begrijpen, bepalen wat belangrijk is, verschillende bronnen met elkaar kunnen vergelijken. Ook moet je kunnen inschatten wat het doel is: probeert het te informeren, overtuigen of misschien wel misleiden.

Natuurlijk kun je veel van deze vaardigheden ook leren zonder digitale middelen, maar doen alsof de digitale wereld niet bestaat sluit niet aan bij de realiteit en de belevingswereld van leerlingen. Bovendien kun je ook zonder een scherm prima aan de slag met de integratie van digitale geletterdheid binnen taal.

We communiceren met tekst, maar ook met afbeeldingen, video’s, geluid, links, emoji’s, chats, websites en sociale media. We gebruiken tegenwoordig verschillende vormen tegelijkertijd. Een nieuwsbericht bestaat niet alleen uit een geschreven tekst, maar ook uit foto’s, grafieken, filmpjes en links naar andere bronnen.

Digitale geletterdheid wordt nog regelmatig gezien als iets wat boven op het bestaande onderwijs komt. We moeten al aandacht besteden aan taal en rekenen en nu komen programmeren, mediawijsheid, informatievaardigheden en AI daar ook nog bij. Veel van die digitale vaardigheden bestaan helemaal niet los van taal. Daarom vind ik de kunstmatige scheiding tussen taal en digitaal ook zo vreemd.

Laat leerlingen twee nieuwsberichten over hetzelfde onderwerp vergelijken. Ze moeten onderzoeken welke woorden worden gebruikt, welke informatie wordt benadrukt en welk perspectief ontbreekt.

Waar houdt taalonderwijs hier op en begint digitale geletterdheid? Volgens mij is die grens veel minder duidelijk dan we soms doen voorkomen. Ik ben van mening dat digitale technologie het taalonderwijs juist kan verbreden. In de klas gebruik je boeken en gedrukte teksten, maar daarnaast ook websites, digitale bronnen, podcasts en video’s. Het een hoeft het andere niet uit te sluiten.

Laat leerlingen bijvoorbeeld onderzoeken waarom een plaatje of titel op YouTube ervoor zorgt dat ze op een filmpje willen klikken en waarom we dit clickbait noemen. Vergelijk een video op TikTok met een nieuwsbericht over hetzelfde onderwerp. Bekijk samen hoe influencers taal gebruiken om producten aan te prijzen. Laat leerlingen online bronnen vergelijken. Bespreek reacties onder een nieuwsbericht. Laat ze een opinieartikel over BigTech of generatieve AI schrijven. Laat ze onderzoeken hoe een afbeelding de betekenis van een tekst verandert.

Je werkt dan aan digitale geletterdheid en tegelijkertijd werk je ook aan woordenschat, begrijpend lezen, schrijven, kritisch denken en mondelinge taalvaardigheid.

De digitale wereld is niet alleen een plek die concurreert met lezen en schrijven. Het is inmiddels een van de belangrijkste plekken waar gelezen en geschreven wordt. We moeten in het onderwijs die digitale wereld niet weren. Er liggen juist veel kansen om de taalvaardigheid te versterken.

Digitale geletterdheid binnen de Gouden Weken

Wat maakt iemand een goede klasgenoot? Welke afspraken maken we met elkaar? En kan een robot eigenlijk ook een goede klasgenoot zijn?

Met die laatste vraag gingen de kinderen uit groep 4 en 5 vandaag aan de slag tijdens de eerste les van dit schooljaar in het e-lab. Met deze les wilde ik bewust voortborduren op waar ze tijdens de Gouden Weken in hun eigen klas al mee bezig zijn.

We begonnen met het eerste hoofdstuk uit Veer – Mijn kunstmatige vriendin van Barend Last. Veer is een chatbot die zichzelf al snel presenteert als vriendin. Vanuit het verhaal ontstond meteen een mooi gesprek over technologie, vriendschap en wat mensen van machines onderscheidt.

De kinderen kwamen zelf met prachtige observaties:

“Veer zegt: ik ben je vriendin, maar ze kennen elkaar nog helemaal niet.”

“Een vriendschap komt altijd van twee kanten.”

“Een robot kan je niet troosten, omdat een robot geen gevoelens heeft.”

Maar technologie werd zeker niet alleen bekeken vanuit wat ze niet kan:

“Het zou heel handig zijn als een chatbot kan helpen met het uitleggen van schoolwerk.”

Vervolgens legde ik uit dat een robot wordt aangestuurd door een computerprogramma en werkt volgens het principe invoer → verwerking → uitvoer. De robot neemt iets waar of krijgt een opdracht, het programma verwerkt dit en de robot voert vervolgens een actie uit.

Daarna kregen de kinderen de uitdaging om hun ideale klassenrobot te bedenken. Een robot met één belangrijke opdracht: helpen om van de klas een fijne groep te maken.

Op hun werkblad schreven ze op wat hun robot moet kunnen en tekenden ze hoe de robot er ongeveer uit zou zien. Wat moet de robot kunnen? Hoe kan de robot helpen? En hoe werkt dat precies? Vervolgens gingen ze met LEGO aan de slag om hun robot te bouwen.

Voor mij laat deze les mooi zien hoe vanzelfsprekend digitale geletterdheid onderdeel kan zijn van de Gouden Weken. En dat geldt zeker niet alleen voor groep 4 en 5. In de bovenbouw kun je bijvoorbeeld samen afspraken maken voor de groepschat: hoe gaan we online met elkaar om? Wat doe je als iemand buitengesloten wordt? En gelden online eigenlijk dezelfde afspraken als in de klas?

Lezen tijdens de vakantie

Ook in Noorwegen is het volop zomer. Dat betekent: afkoeling zoeken in rivieren en fjorden en ’s avonds voor de camper lekker lezen.

Voor de vakantie kreeg ik maar liefst drie boeken toegestuurd.

Van Pascal Mariany ontving ik De kunst van het samen overleven met AI. Een boek over het verantwoord integreren van AI in het onderwijs. Mooi om te zien dat Pascal mijn kwadrantenmodel gebruikt om te kijken naar de pedagogisch-didactische keuzes rondom digitale technologie in het onderwijs. En minstens zo mooi om te lezen hoe hij daar zijn eigen interpretatie aan geeft.

Van Dimitri van Dillen kreeg ik Binnen de kaders en buiten de lijntjes. Ik geniet van de luchtige en humoristische manier waarop Dimitri een kritische blik werpt op ons hedendaagse onderwijs.

En last but not least: de nieuwe editie van Chatten met Napoleon van Barend Last en Thijmen Sprakel. De vorige editie stond al in mijn boekenkast, maar deze nieuwe versie lijkt wel twee keer zo dik. Het is uitgegroeid tot een echt handboek over generatieve AI in het onderwijs. Ik weet zeker dat dit boek weer voor veel nieuwe inzichten en inspiratie gaat zorgen.

Dank aan Pascal, Dimitri, Barend Last en Thijmen Sprakel voor het toesturen van deze boeken. Ik hoef me deze zomer in Noorwegen in ieder geval niet te vervelen!

Lessenserie bij het kinderboek Veer

Voor het kinderboek  van Barend Last heb ik een lessenserie over AI ontwikkeld. Het is een prachtig en spannend verhaal en ik ben enorm trots op hoe de lessenserie is geworden.

In de lessen gaan leerlingen aan de slag met thema’s als antropomorfisme, vriendschap, taalmodellen, ontwerpkeuzes en de invloed van AI op ons dagelijks leven.

Download de lessen hieronder:

https://drive.google.com/drive/folders/1jfyS0iDh4JhGMybvlBWzLOVGNlk4XSmE

Een les over bias in digitale technologie

Een interactieve website met driehoeken en vierkanten als startpunt voor een les over bias in technologie. Het klinkt misschien wat vreemd, maar het werkte verrassend goed.
Ik begon de les met Parable of the Polygons (https://ncase.me/polygons/), een interactief verhaal met spelelementen waarin simpele vormen volgens één eenvoudige regel bewegen: “ik verhuis als minder dan 1/3 van mijn buren dezelfde vorm heeft als ik.”
Op het eerste gezicht lijkt dat een vrij onschuldige voorkeur. De vormpjes hoeven namelijk helemaal niet alleen maar tussen vergelijkbare vormen te wonen. Toch zie je langzaam dat de groepjes zich steeds meer gaan clusteren. Zonder dat iemand daar bewust op stuurt, ontstaat er steeds meer scheiding tussen de vormen.
De werkelijkheid is natuurlijk genuanceerder dan deze simulatie, maar het laat wel duidelijk patronen zien die we ook in de echte samenleving tegenkomen. Juist daarom vind ik deze tool zo sterk voor in de klas: het laat op een toegankelijke manier zien hoe kleine keuzes in systemen grote gevolgen kunnen hebben.
Het is bovendien een mooie link naar bias in digitale technologie. Digitale technologie is namelijk niet neutraal. Achter apps, algoritmes, AI-systemen en games zitten regels, aannames, ontwerpkeuzes en datasets. Kleine keuzes kunnen grote effecten hebben op wat mensen zien, hoe systemen reageren en wie voordeel of nadeel ervaart.
Na ongeveer een kwartier spelen stelde ik de leerlingen een paar vragen:
Waar ging deze website eigenlijk over?
Wat heb je ontdekt?
Herken je dit soort patronen in het echte leven?
Zie je dit ook terug in digitale technologie?

Dat leverde mooie gesprekken op over:
algoritmes
aanbevelingen op sociale media
games die bepaald gedrag belonen
AI-systemen die sommige mensen beter herkennen dan anderen

De website bleek bovendien een mooie aanleiding om het over data te hebben:
Wat is data eigenlijk?
Hoe verzamelen systemen data?
Hoe kun je data zichtbaar maken met grafieken en visualisaties?

Als afsluiting liet ik de leerlingen nadenken over een interactieve tool of game waarmee kinderen kunnen leren over bias in technologie.
Vragen waar zij over nadachten:
Hoe zou zo’n game eruit moeten zien?
Waar moet het over gaan?
Welke technologie moet erin zitten?
Wat maakt zo’n tool leuk, spannend of interessant?
Welke keuzes moet een speler kunnen maken?

Dat was niet alleen een mooie verwerkingsopdracht, maar leverde ook waardevolle input op voor een wetenschappelijk onderzoek waar ik vanuit de Rijksuniversiteit Groningen aan meewerk. We werken momenteel aan een lespakket over bias in digitale technologie en onderzoeken ook de mogelijkheden voor een interactieve tool of game voor leerlingen.
Daarover later meer 🙂

Digitale technologie in het onderwijs: het is lange tijd onvoldoende serieus genomen

Er wordt vaak gesproken over de vraag of digitale technologie wel werkt in het onderwijs. Het eerlijke antwoord is: soms wel en soms niet. Een interessantere vraag is wat mij betreft: hebben we digitale technologie ooit echt serieus genomen als onderdeel van onderwijs? Als je kijkt naar de lerarenopleiding, het huidige curriculum en de dagelijkse praktijk op veel scholen, is het antwoord pijnlijk duidelijk. Digitale technologie was lange tijd geen volwaardig onderdeel van het onderwijsdenken. Het werd zelden benaderd als iets waar je vakinhoudelijke kennis over nodig hebt, laat staan een didactische visie. Het gesprek over technologie blijft vaak hangen op het niveau van middelen: welk device, welke tool. Terwijl de fundamentele vragen nauwelijks worden gesteld. Wat doet digitale technologie met leren? Wanneer versterkt het, wanneer verstoort het? En wat vraagt dat van de leraar? Juist dat gebrek aan kennis en een onderliggende visie maakt dat discussies over digitale technologie al snel verharden. We schieten snel in voor of tegen, in plaats van dat we onderzoeken wat werkt, wanneer en waarom.

Digitale technologie is slecht voor het leren

Een van de hardnekkigste aannames is dat digitale technologie per definitie een negatieve invloed heeft op leerresultaten. Die gedachte is begrijpelijk (zeker als je kijkt naar vormen van gebruik die weinig met leren te maken hebben) maar wordt niet eenduidig ondersteund door onderzoek. Veel studies laten een genuanceerder beeld zien. Er is geen bewijs dat digitale technologie per definitie slecht is en er is ook geen bewijs dat het automatisch werkt. Er is wel bewijs dat kwaliteit van de inzet, didactiek dus belangrijker is dan de tool en dat context allesbepalend is. Het is daarin niet anders dan andere middelen. Wel zie je in studies terug dat digitale technologie effectief kan zijn als het gaat over het aanleren van specifieke vaardigheden. Bijvoorbeeld op het gebied van spelling laten digitale oefenprogramma’s regelmatig positieve effecten zien, mits ze doelgericht worden gebruikt en goed aansluiten bij het onderwijs. Juist bij automatiseren en herhalen kan technologie een duidelijke meerwaarde hebben. Dat maakt het beeld meteen complexer en eerlijker. Digitale technologie is net als pen en papier geen wondermiddel, maar ook geen probleem op zichzelf.

Schermtijd is niet uniform

Een groot deel van de verwarring in het debat komt voort uit één containerbegrip: schermtijd. Dat begrip suggereert dat alle tijd achter een scherm vergelijkbaar is, terwijl dat simpelweg niet klopt. Het verschil tussen eindeloos scrollen op sociale media en geconcentreerd werken aan een leeractiviteit met digitale ondersteuning is enorm: cognitief en didactisch. Door dat onderscheid niet te maken, ontstaat een versimpeld en vaak negatief beeld van technologiegebruik. Het gesprek zou dus niet moeten gaan over hoeveel schermtijd, maar over de kwaliteit en het doel van die tijd.

Wat we kunnen leren van andere landen

Nou heb ik zelf moeite met dit soort internationale vergelijkingen omdat de verschillen in context vaak onvoldoende worden meegenomen. In internationale vergelijkingen wordt vaak gewezen naar landen als Estland en Singapore omdat de landen zeer hoog scoren op PISA. Wat deze landen gemeen hebben is dat ze ver gevorderd zijn in de digitalisering van hun onderwijs. Het is verleidelijk om daar een direct causaal verband van te maken, maar zo simpel is het niet. Onderwijssystemen zijn complex en prestaties worden door veel factoren beïnvloed. Het valt mij overigens op dat je in Nederland verrassend weinig hoort over Estland en dat er vaker wordt gekeken naar landen als Engeland.

Wat de landen Estland en Singapore ook gemeen hebben, is iets anders: een consistente en doordachte visie op de rol van digitale technologie in het onderwijs. In Estland wordt daar al sinds de jaren ’90 systematisch aan gewerkt. Dat betekent niet dat ik denk dat digitale technologie de hoofdoorzaak is van hun prestaties, maar wel dat het onderdeel is van een bredere, samenhangende onderwijsvisie. Je kunt het er dus ook niet los van zien.

Een doordachte visie op de inzet van digitale technologie ontbreekt regelmatig

Die visie op de inzet van digitale technologie vind ik in Nederland vaak ontbreken. Om het gesprek over digitale technologie te starten heb ik enige tijd geleden het kwadrantenmodel ontwikkeld. Digitale technologie in het onderwijs lange tijd vooral instrumenteel benaderd. Het ging over apparaten, software en toepassingen en niet over onderliggende visies, doelen, waarden of effecten. Vaak wordt de opkomst en ondergang van de iPad-scholen als voorbeeld genoemd om aan te tonen dat digitale technologie niet werkt. Dit is echter het perfecte voorbeeld van een onderwijsconcept waarbij onvoldoede nagedacht is over de onderwijskundige visie op de inzet van digitale technologie. Zonder die visie is elke innovatie kwetsbaar. Digitale technologie kan daarin een middel zijn dat alleen werkt als het ingebed is in goed onderwijs.

Digitale geletterdheid als belangrijke basis

Dat brengt ons bij digitale geletterdheid. Opvallend genoeg wordt dit nog lang niet overal gezien als een basisvaardigheid, terwijl digitale technologie diep verweven is met hoe we informatie verwerken, communiceren en leren. Digitale geletterdheid gaat bovendien over meer dan vaardigheden. Het gaat ook over begrip: hoe systemen werken, hoe informatie tot stand komt en hoe technologie ons denken en gedrag beïnvloedt. Juist dat bredere perspectief ontbreekt vaak in het onderwijs. Met als risico dat digitale geletterdheid wordt gereduceerd tot ‘leren omgaan met tools’. En daarmee missen we de kern.

We komen van ver

Dat digitale technologie nu serieuzer wordt genomen, heeft alles te maken met recente ontwikkelingen. De komst van AI en de nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid zorgen voor een kantelpunt. Maar dat betekent niet dat het probleem is opgelost. We komen van een situatie waarin er nauwelijks structurele aandacht was voor technologie in de lerarenopleiding, in schoolvisies of in professionele ontwikkeling. Het is dus niet vreemd dat veel leraren zich hierin nog zoekende voelen. Het brengt ook vaak onzekerheid met zich mee. Om met het leergebied digitale geletterdheid aan de slag te gaan hoef je zelf niet super digitaal vaardig te zijn, maar een nieuwsgierig, open en onderzoekende houding zijn wel noodzakelijk. Ik zie het als een risico dat er tegenwoordig zo’n negatief sentiment heerst rondom digitale technologie. Ook ben ik bang dat er grote verschillen gaan ontstaan tussen scholen waar wel structureel aandacht is voor de kerndoelen digitale geletterdheid en scholen waar amper aandacht hiervoor is. Dit geldt ook als het gaat over de verantwoorde inzet van digitale technologie.

We moeten in mijn optiek af van de vraag of digitale technologie per definitie goed of slecht is. Veel belangrijker is wat het vraagt van ons als onderwijsprofessionals. Dat betekent dat we zowel moeten nadenken over leren met digitale technologie als over leren over digitale technologie. Over didactiek en over inhoud. Over kansen en over verstoringen. Want pas als dit samenkomt, kun je spreken van echte digitale geletterde onderwijsprofessionals. Het wordt tijd dat we digitale technologie als volwaardig onderdeel van het onderwijs gaan zien.

Een les over vooroordelen in AI

Een les over bias in AI

Hoe leg je uit dat AI niet neutraal is?

In deze les voor groep 7 en 8 begin ik zonder uitleg.

Leerlingen maken een werkblad met opdrachten zoals:

Wie is de boef? Kies een afbeelding.

Maak de zin af: “Er loopt ’s avonds laat een man met een capuchon over straat…”

Teken een dokter.

Ze krijgen voor het werkblad vijf minuten. Welke keuzes hebben ze gemaakt en waarom? Ik leg uit wat een vooroordeel is. Een vooroordeel is als je denkt dat iets altijd zo is, terwijl dat niet hoeft te kloppen.

Daarna maken we de stap naar AI.

We kijken naar voorbeelden van bias:

Gezichtsherkenning die minder goed kan werken als het systeem met name is getraind op blanke mensen.

Vertalingen waarin stereotypen ontstaan

Aanbevelingssystemen die gedrag versterken

Taalmodellen die voorspellen welk woord er volgt in een zin

AI die door mensen wordt getraind

Tussendoor laat ik leerlingen steeds kort reflecteren op wat ze zien.

Wat valt op? Waar zit het vooroordeel? En waar komt dat vandaan?

Als mensen niet neutraal kunnen zijn, kan AI dat dan wel zijn?

In de eindopdracht gaan leerlingen zelf AI trainen met ArtBot.

Ze merken dat AI leert van de data die je geeft en dat daarin ook vooroordelen kunnen zitten.

« Oudere berichten

© 2026

Website gemaakt door Bas Hummel — Boven ↑